I.J. de Kramerprijs editie 2006

PERSBERICHT: – I.J. de Kramer-prijs voor 2006, uitgereikt te Putten.Tijdens het Internationale TIMS Symposium voor Molinologie, dat tussen 2 en 10 juni 2007
te Putten plaatsvond, heeft de voorzitter van “TIMS Nederland en Vlaanderen”, Ton Meesters, op zondag 3 juni voor de derde maal de I.J. de Kramer-prijs ter grootte van € 2.000,- uitgereikt.

2006_foto1Ton Meesters overhandigt de prijs.

Deze publicatieprijs werd toegekend aan de Nederlandse auteurs: Herman Kaptein en Pieter Schotsman† voor hun studie: ”Alkmaar als bakermat van de Hollandse industriemolens omstreeks 1600”.

2006_foto2Jurylid Erik Nijhof leest het juryrapport voor en Ton Meesters vertaalt dit voor de grote groep aanwezige Engelssprekende TIMSleden. 

Het werk van de heren Kaptein en Schotsman, beiden bekend op het terrein van de regionale geschiedbeoefening, kent een heldere probleemstelling: wat was de rol van Alkmaar bij de introductie en het gebruik van windkrachttechniek in het vroegmoderne Holland?
Op basis van veel feitenmateriaal wordt systematisch toegewerkt naar een conclusie, waarbij uit verschillende disciplines en in een ruim perspectief materiaal wordt ingebracht. De studie maakt duidelijk waarom het provinciestadje Alkmaar zo vroeg al zoveel industriewindmolens kende; iets dat wel eerder opgevallen, maar nog nooit grondig onderzocht was. Het betoog steeds blijft overtuigen en daarmee wordt een belangrijk economisch-historisch aspect van de Nederlandse molengeschiedenis nu ook voor een groter publiek ontsloten.

Het eindadvies luidt: Unaniem was het oordeel daar hier het meeste werd voldaan aan de in de  reglementen omschreven kenmerken:

1) Molinologische relevantie
Voor de vroegste ontwikkelingen op het terrein van de bedrijfswindmolens, die in het zeventiendeeeuwse Holland zo belangrijk werden, is kennis van de Alkmaarse situatie van wezenlijk belang. Ook geeft de studie inzicht in de achtergronden van nieuwe ontwikkelingen.

2) Origineel eigen onderzoek met nieuwe elementen
Na 1905, toen archivaris Bruinvis over de Alkmaarse molens publiceerde, is nooit enig systematisch onderzoek naar het vroege molenbestand in de stad gedaan. Evenmin waren de beschikbare bronnen op adequate wijze
geannoteerd en de resultaten in perspectief geplaatst. Behalve een regionaal kader biedt de studie ook een ruim historisch perspectief voor de Alkmaarse ontwikkelingen.

3) Integratie verschillende disciplines en perspectieven
Behalve molens staan ook vooral mensen centraal in de studie. Genealogische en demografische gegevens bieden nieuwe inzichten. Naast migratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden waren ook de praktische ervaringen en ambachtelijke vaardigheden van autochtone inwoners van doorslaggevend belang.
Ook fysisch-geografische elementen zijn betrokken bij de verklaring van de bijzondere situatie in Alkmaar, evenals het economisch klimaat. Wat dat laatste betreft is de conclusie gerechtvaardigd, dat in de problemen van de stad juist de kansen voor nieuwe ontwikkelingen bleken te liggen: bij Alkmaar begon de victorie.
Op overtuigende wijze wordt aangetoond, dat verschillende factoren alleen tezamen de unieke ontwikkeling van Alkmaar tot bakermat van de Hollandse industriemolens kan verklaren. Deze uitwerking van het “scharniermoment” in de Nederlandse molengeschiedenis overstijgt het nationale belang en verdient het door de toekenning van de I.J. de Kramerprijs onder een breder publiek bekend te worden.

2006_foto3Auteur Herman Kaptein spreekt een woord van dank uit.

Publicatiegegevens:
Dit artikel is verschenen in: Drewes, J. et al. (red.), Alkmaar, stad en regio. Alkmaar en omgeving in de Late Middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd, Alkmaarse historische reeks XII (Hilversum: Verloren, 2004), 183-
226. In deze publicatie 2 tabellen en 12 afbeeldingen. 32 pagina’s, 2 tabellen, geen afbeeldingen.

Overige inzendingen:

  • De Watermolens van Venlo door Wiro van Heugten, 28 pagina’s, 5 tabellen, 9 afbeeldingen. Ongepubliceerd.
  • Oliemolens. Wind-, water- en rosoliemolens oliezaad en olie door P.W.E.A. van Bussel†, 192 pagina’s, 1 tabel, 111 afbeeldingen en 99 tekeningen (Eindhoven: Bura Boeken, 2007)
  • Niet Nederland maar Vlaanderen was de bakermat! Belangrijke archiefvondst. De eerste vermelding van een poldermolen: de nog bestaande “hoesse molen” bij Gent (1316) door Lieven Denewet, 21 pagina’s, 20 afbeeldingen. Dit artikel is verschenen in: Molenecho’s. Vlaams tijdschrift voor Molinologie, 34ste jaargang nr. 3, juli/spetember 2006, 170- 190.
  • Pompwatermolens door Karel Broes, 200 pagina’s met 240 afbeeldingen. Verschenen als themanummer van Molenecho’s. Vlaams tijdschrift voor Molinologie, 32ste jaargang nr. 3, juli-oktober 2004.

Voor deze derde gelegenheid werden vijf inzendingen ontvangen. Een deskundige jury, bestaande uit de heren Dick Bunskoeke (Beilen), Walter van den Branden (Gent) en Erik Nijhof (Utrecht), heeft de inzendingen beoordeeld en wees de genoemde studie als winnaar aan. Het ligt in de bedoeling om de prijs in het
najaar van 2008 opnieuw uit te reiken. In de loop van dat jaar zullen auteurs van recent verschenen of nog te verschijnen publicaties dan wel manuscripten worden opgeroepen om hun bijdrage hiervoor in te zenden.


Verslaggever: Wiard Beek, secretaris (juni 2007)  TIMS Nederland / Vlaanderen.


JURYRAPPORT

TIMS NL/VL I.J.de Kramerprijs 2006

A. Ingezonden en beoordeelde werken

* Alkmaar als bakermat van de Hollandse industriemolens omstreeks 1600 door Herman Kaptein en Pieter Schotsman†, 32 pagina’s, 2 tabellen, geen afbeeldingen.

Dit artikel is verschenen in: Drewes, J. et al. (red.), Alkmaar, stad en regio. Alkmaar en omgeving in de Late Middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd, Alkmaarse historische reeks XII (Hilversum: Verloren, 2004), 183-226. In deze publicatie 2 tabellen en 12 afbeeldingen.

* De Watermolens van Venlo door Wiro van Heugten, 28 pagina’s, 5 tabellen, 9 afbeeldingen. Ongepubliceerd.

* Oliemolens. Wind-, water- en rosoliemolens oliezaad en olie door P.W.E.A. van Bussel†, 192 pagina’s, 1 tabel, 111 afbeeldingen en 99 tekeningen (Eindhoven: Bura Boeken, 2007)

* Niet Nederland maar Vlaanderen was de bakermat! Belangrijke archiefvondst. De eerste vermelding van een poldermolen: de nog bestaande “hoesse molen” bij Gent (1316) door Lieven Denewet, 21 pagina’s, 20 afbeeldingen. Dit artikel is verschenen in: Molenecho’s. Vlaams tijdschrift voor Molinologie, 34ste jaargang nr. 3, juli/spetember 2006, 170-190.

* Pompwatermolens door Karel Broes, 200 pagina’s met 240 afbeeldingen. Verschenen als themanummer van Molenecho’s. Vlaams tijdschrift voor Molinologie, 32ste jaargang nr. 3, juli-oktober 2004.

B. Criteria

Al de werken, uitgezonderd die van de heer Denewet, voldoen aan de criteria zoals die zijn voorgeschreven in het Reglement publicatieprijs genaamd “I.J. de Kramer-prijs” (Den Haag, 18 december 2001). In het reglement wordt vermeldt dat “studies waarbij zittende juryleden en/of bestuursleden van TIMSNederland en Vlaanderen betrokken zijn geweest, worden uitgesloten”. Op basis hiervan is de inzending van de heer Denewet, als zijnde zittend bestuurslid van TIMSNederland/Vlaanderen, uitgesloten van mededinging.

C. Korte evaluatie van de beoordeelde inzendingen

Het werk van de heren Kaptein en Schotsman, beiden bekend op het terrein van de regionale geschiedbeoefening, kent een heldere probleemstelling: wat was de rol van Alkmaar bij de introductie en het gebruik van windkrachttechniek in het vroeg-moderne Holland?

Op basis van veel feitenmateriaal wordt systematisch toegewerkt naar een conclusie, waarbij uit verschillende disciplines en in een ruim perspectief materiaal wordt ingebracht. De studie maakt duidelijk waarom het provinciestadje Alkmaar zo vroeg al zoveel industriewindmolens kende; iets dat wel eerder opgevallen, maar nog nooit grondig onderzocht was.

Het betoog steeds blijft overtuigen en daarmee wordt een belangrijk economisch-historisch aspect van de Nederlandse molengeschiedenis nu ook voor een groter publiek ontsloten. De studie van Wiro van Heugten geeft een beschrijving van de geschiedenis van de vele watermolens die in en rond Venlo hebben gewerkt. Tot nog toe waren deze sterk onderbelicht gebleven en het is de verdienste van deze studie dat op basis van beschikbare literatuur en bronnen een sluitend overzicht is ontstaan. De opzet van de beschrijvingen doet denken aan de publicaties van H. Hagens over de Veluwe en Oost-Nederland. Voor de geschiedenis van Venlo en omstreken heeft Van Heugtens studie zonder twijfel grote

betekenis, maar helaas ontbreekt vaak een breder molinologisch perspectief. Het afsluitende hoofdstuk, dat hierin tracht te voorzien, mist overtuiging en diepgang. Een bredere studie naar alle watermolens in Noord- en Midden-Limburg, zoals in de inleiding omschreven, zal ongetwijfeld hieraan nadere invulling geven en een welkome aanvulling op Hagens werk kunnen bieden.

P.W.E.A. van Bussel is tijdens zijn leven al een begrip in de molenwereld geworden. Vooral zijn boek Korenmolens. Van ambacht tot Industrie (Eindhoven: Bura Boeken, 1981) oogstte alom bewondering. Als geen ander wist hij, op basis van kennis van zaken en gesprekken met vele betrokkenen, de graanmaalderij op schrift vast te leggen. Bijzonder bedreven was hij daarbij in het verduidelijken van allerlei technische details. Ook zijn nieuwe studie, postuum uitgegeven, ademt dezelfde sfeer. Opnieuw geeft Van Bussel blijk van zijn enorme kennis van zaken. Vooral de vele technische tekeningen leggen op unieke wijze vast, hoe met oliemolens werd gewerkt. Dat het historische aspect hierbij onderbelicht blijft, past in de opzet van de studie, evenals de bijzondere aandacht voor bepaalde molens of landstreken. Veeleer dan een allesomvattende behandeling van het onderwerp oliemolens is het een documentatie van de grote empirische kennis van Van Bussel. Hoewel de uitgave vooral illustratief helaas minder goed verzorgd is dan Korenmolens, verdient hij zeker een vaste plek in iedere “molinofiele” boekenkast! De inzending van ir. Karel Broes, ook geen onbekende in molinologische kringen, betreft het thema ‘pompwatermolens’: watermolens, via een scheprad in beweging gezet, met als doel de opgewekte energie over te brengen op een pompinstallatie. Achtereenvolgens worden de belangrijkste technische aspecten, de historische ontwikkeling van de toegepaste technieken en een selectief overzicht van de belangrijkste uit de geschiedenis overgeleverde voorbeelden, verdeeld naar de functie van de pomp, behandeld.

De aanpak is van een imposante degelijkheid, die ook al in eerder onderzoek werd ten toon gespreid, maar blijft anderzijds toch teveel beperkt tot een beschrijvende opsomming van vooral technische aspecten. De sociaal-economische en bestuurlijk-politieke context van de geschetste ontwikkelingen blijven grotendeels onbelicht. De lay-out van de publicatie, waarin zeer veel fraaie afbeeldingen zijn opgenomen, getuigt van een neiging om zoveel mogelijk gegevens en afbeeldingen vast te leggen, hetgeen de overzichtelijkheid niet ten goede komt.

D. Eindadvies

Na rijp beraad stelt de jury voor om de I.J.de Kramerprijs 2006 toe te kennen aan Herman Kaptein en Pieter Schotsman† voor hun studie over Alkmaar. Unaniem was het oordeel daar hier het meeste werd voldaan aan de in de reglementen omschreven kenmerken:

1) Molinologische relevantie

Voor de vroegste ontwikkelingen op het terrein van de bedrijfswindmolens, die in het zeventiende-eeuwse Holland zo belangrijk werden, is kennis van de Almaarse situatie van wezenlijk belang. Ook geeft de studie inzicht in de achtergronden van nieuwe

2) Origineel eigen onderzoek met nieuwe elementen

Na 1905, toen archivaris Bruinvis over de Alkmaarse molens publiceerde, is nooit enig systematisch onderzoek naar het vroege molenbestand in de stad gedaan. Evenmin waren de beschikbare bronnen op adequate wijze geannoteerd en de resultaten in perspectief geplaatst. Behalve een regionaal kader biedt de studie ook een ruim historisch perspectief voor de Alkmaarse ontwikkelingen.

3) Integratie verschillende disciplines en perspectieven

Behalve molens staan ook vooral mensen centraal in de studie. Genealogische en demografische gegevens bieden nieuwe inzichten. Naast migratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden waren ook de praktische ervaringen en ambachtelijke vaardigheden van autochtone inwoners van doorslaggevend belang.

Ook fysisch-geografische elementen zijn betrokken bij de verklaring van de bijzondere situatie in Alkmaar, evenals het economisch klimaat. Wat dat laatste betreft is de conclusie gerechtvaardigd, dat in de problemen van de stad juist de kansen voor nieuwe ontwikkelingen bleken te liggen: bij Alkmaar begon de victorie. Op overtuigende wijze wordt aangetoond, dat verschillende factoren alleen tezamen de unieke ontwikkeling van Alkmaar tot bakermat van de Hollandse industriemolens kan verklaren. Deze uitwerking van het “schaniermoment” in de Nederlandse molengeschiedenis overstijgt het nationale belang en verdient het door de toekenning van de I.J. de Kramerprijs onder een breder publiek bekend te worden.

De jury voor 2006 bestond uit: Dick Bunskoeke, Beilen.  Walter Van den Branden, Wachtebeke. Erik Nijhof, Utrecht

Skip to toolbar